Zo schrijf je een sinterklaasgedicht
Een goed sinterklaasgedicht is persoonlijk, niet te lang en plaagt een klein beetje. De klassieke opbouw is zes tot twaalf regels met een verrassing in de laatste zin. Hieronder staat hoe je dat aanpakt: de opbouw, het ritme dat je gedicht laat lopen, kant-en-klare openingszinnen en slotregels, en waar de grens ligt bij plagen.
De opbouw van een sinterklaasgedicht
Bijna elk goed sinterklaasgedicht heeft dezelfde vier delen. Als je die aanhoudt, schrijft de rest zichzelf.
1. De aanhef: Sinterklaas of Piet komt aan het woord. Twee regels, meer niet.
2. De observatie: hier zit het gedicht. Iets wat opvalt aan die persoon: een gewoonte, een hobby, iets waar de familie altijd om moet lachen. Dit is het deel waar je de tijd in steekt.
3. De brug naar het cadeau: je maakt de overstap van de observatie naar wat er in het pakje zit, zonder het weg te geven.
4. De afsluiting: een slotregel die de boel afrondt, het liefst met een kleine wending.
Merk op dat er niets in staat over pepernoten, de stoomboot of het paard op het dak. Dat vult ruimte maar zegt niets. Hoe minder algemene sinterklaaswoorden, hoe beter je gedicht.
Begin bij het einde
De grootste fout is beginnen bij regel één en dan maar zien waar je uitkomt. Je rijmt jezelf klem, en na acht regels sta je met een woord waar niets meer op rijmt.
Draai het om: bedenk eerst je laatste regel. Wat is de clou? Wat is het grapje, de wending, de plaagstoot waar het gedicht naartoe werkt? Als je die hebt, weet je waar je naartoe schrijft en wordt alles ervoor makkelijker.
Praktisch: schrijf eerst in gewone taal op wat je wilt zeggen. Drie zinnen, geen rijm. Dán ga je rijmen. Rijmen zonder dat je weet wat je wilt zeggen is de reden dat gedichten nergens over gaan.
Ritme is belangrijker dan rijm
Dit is waar de meeste zelfgeschreven gedichten stuklopen, en bijna niemand weet het.
Het rijm krijgt iedereen wel voor elkaar. Maar lees dit eens hardop:
Sinterklaas zat gisteravond in zijn kamer na te denken wat hij nou zou geven
Het rijmt niet eens, maar zelfs áls het rijmde zou het niet lopen, de eerste regel is twee keer zo lang als de tweede. Je struikelt erover.
De regel: houd je regels ongeveer even lang. Acht tot tien lettergrepen werkt bijna altijd. Tel ze desnoods op je vingers, dat is geen schande.
Sin-ter-klaas zat laatst te den-ken — 8 wat hij dit jaar zou gaan schen-ken — 8
Voel het verschil? Dat is geen toeval, dat is tellen.
Lees je gedicht altijd hardop voor, bij voorkeur aan iemand anders. Struikel je ergens? Dan struikelt de voorlezer op pakjesavond ook. Meestal los je het op door één woord te schrappen of toe te voegen.
Openingszinnen die werken
Vijf openingen die je direct kunt gebruiken. Vul de naam in en je bent begonnen.
Sinterklaas zat laatst te denken: wat zal ik [naam] dit jaar schenken?
Piet keek in het grote boek en zei: hier staat wat ik nog zoek.
De Sint hoorde laatst van Piet een verhaal dat niemand ziet.
Er is iets wat de Sint al weet, al doet [naam] alsof hij het vergeet.
Dit jaar was het weer een toer: wat geef je iemand met humor?
Eerlijk terzijde: die eerste is de meest gebruikte openingszin van Nederland. Prima als je haast hebt, maar wil je opvallen, kies dan een van de andere, of begin gewoon midden in het verhaal, zonder Sinterklaas te noemen. "[Naam] denkt dat niemand het gezien heeft" is een veel sterkere opening dan wat dan ook met een stoomboot.
Slotregels die werken
Het slot is waar mensen het meest vastlopen, want daar moet het én rijmen én afgerond zijn.
Genoeg gerijmd, genoeg gezegd — pak maar uit, dan zie je 't echt.
Sint en Piet gaan verder trekken, jij mag dit nu gaan ontdekken.
De Sint zei nog: dit past bij jou. Veel plezier ermee — tot gauw!
Zo, nu is het rijmen klaar. Fijne avond — en tot volgend jaar!
De sterkste slotregels zijn die waarin de plaagstoot terugkomt. Ging je gedicht erover dat iemand altijd te laat is? Sluit dan af met iets als "en wees op tijd, dit jaar voor één keer". Dat is beter dan welke standaardafsluiting ook.
Hoe lang moet een sinterklaasgedicht zijn?
Korter dan je denkt.
- Voor een kind: 6 tot 8 regels. Kinderen willen het pakje open, niet je gedicht horen.
- Voor een volwassene: 8 tot 12 regels.
- Absoluut maximum: 16 regels.
Alles daarboven wordt op pakjesavond half voorgelezen, met een blik op de klok. Een kort gedicht dat raak is, wint het altijd van een lang gedicht dat compleet is.
Twijfel je? Schrap de aanhef. Die twee regels waarin Sinterklaas in zijn boek kijkt, kunnen er in negen van de tien gevallen gewoon uit.
Plagen zonder te kwetsen
Een sinterklaasgedicht mag plagen,dat is de traditie. Maar op kantoor of bij de schoonfamilie is dat ook precies waar het misgaat.
De vuistregel: plaag alleen op iets waar de persoon zélf grappen over maakt. Maakt je zwager altijd grapjes over zijn eigen kookkunsten? Dan is dat veilig terrein. Heeft hij het er nooit over? Blijf eraf.
Blijf weg van: uiterlijk en gewicht, geld en inkomen, relaties en gezinssituatie, gezondheid, werkprestaties en alles wat op een echte klacht lijkt. Ook niet met een knipoog, een geschreven gedicht blijft liggen en wordt herlezen, en dan valt de knipoog weg.
Veilig terrein: hobby's, gewoontes waar iedereen om moet lachen, kleine chaos (altijd te laat, altijd de sleutels kwijt), en jezelf. Zelfspot in een gedicht voor een ander werkt verrassend goed.
Twijfel je één seconde? Dan is het antwoord nee. Er is geen enkel gedicht zo grappig dat het een ongemakkelijke stilte waard is.
Als je de persoon nauwelijks kent
Lootje getrokken op kantoor van iemand met wie je twee keer hebt gepraat? Dat is de lastigste opdracht van allemaal, en het antwoord is niet "schrijf iets algemeens".
Kijk om je heen. Er is altijd meer te zien dan je denkt:
- Wat staat er op hun bureau?
- Koffie of thee, en hoeveel?
- Fiets, auto of trein?
- Wat is het eerste wat ze 's ochtends zeggen?
- Waar hebben ze het over bij de lunch?
Eén concreet detail is genoeg. "Je thermoskan is groter dan je hoofd" is honderd keer beter dan een gedicht over hoe fijn het is om collega's te hebben. De ontvanger merkt meteen dat je hebt opgelet, en dat is het hele punt van een sinterklaasgedicht.
Werkt het echt niet? Schrijf dan een gedicht over het feit dát je elkaar niet kent. Dat is eerlijk en levert bijna altijd een lach op.
Zeven fouten die je gedicht verpesten
1. Het gedicht is te lang. Zie hierboven. Schrappen is het enige dat helpt.
2. Je dwingt het rijm. Als je een woord kiest omdat het rijmt en niet omdat het klopt, hoort iedereen dat. Kom je er niet uit, herschrijf dan de regel ervoor in plaats van het rijmwoord eruit te persen.
3. Het ritme klopt niet. Ongelijke regels laten je struikelen. Tel je lettergrepen.
4. Het gaat nergens over. Pepernoten, de schoorsteen en het paard vullen ruimte maar zeggen niets over de ontvanger.
5. Je geeft het cadeau weg. Hint, maar noem het niet. De ontdekking is het leukste moment.
6. De plaagstoot gaat te ver. Zie het blok hierboven.
7. Je begint pas op 4 december. De beste ideeën komen als je er een paar dagen over kunt nadenken. Zet nu alvast in je notities wat je over die persoon opvalt.
Toch geen zin in zelf schrijven?
Volkomen begrijpelijk, zeker als je er vijf moet maken. Met de gedichtenmaker vul je in voor wie het is, stel je zelf de alinea's samen en ontvang je het gedicht binnen enkele seconden als kant-en-klare PDF. Het rijm en het ritme kloppen dan sowieso.